Headlines

Van zorginnovatie naar maatschappelijke impact

Leestijd: 7 minuten

Nederland behoort wetenschappelijk tot de wereldtop. Ook op het gebied van medische zorg brengt ons land veel innovaties voort. Toch bereiken nieuwe geneesmiddelen, technologie, digitale toepassingen en andere vernieuwingen de patiënt vaak te laat of helemaal niet. Hoe kan dat, terwijl vrijwel iedereen vóór innovatie is? Over die vraag gingen deskundigen uit wetenschap, zorg, bedrijfsleven en investeringswereld op zondag 6 september 2026 met elkaar in gesprek tijdens het vijfde KHMW Transitiedebat.

Moderator was Eline van Beest, operating partner bij Thuja Capital en Professor of Practice Biodesign aan de TU Delft. Sprekers waren Michel van Agthoven, hoofd van de Nederlandse Johnson & Johnson-campus en directeur External Affairs Nederland; Hans van Goudoever, voorzitter van de raad van bestuur van Amsterdam UMC en voorzitter van UMCNL; en Felice Verduyn-van Weegen, partner bij EQT Life Sciences en initiatiefnemer van De Zorgambassade. Ook leden van het publiek namen actief aan het gesprek deel.

Een sterke kennisbasis, maar weinig toepassing

Aan kennis en ideeën ontbreekt het niet. De Nederlandse life-sciencessector scoort hoog op wetenschappelijke impact, patentaanvragen en aantrekkelijkheid als vestigingsplaats. De zwakke plek ligt in de vertaling van onderzoek naar een product, behandeling of werkwijze die op grote schaal wordt toegepast. In de academische wereld geldt publiceren nog steeds als de belangrijkste maatstaf voor succes. Ondernemerschap en samenwerking met het bedrijfsleven worden niet overal vanzelfsprekend gewaardeerd, terwijl juist die samenwerking nodig is om een ontdekking uit het laboratorium bij patiënten te brengen.

Technologietransfer kwam daarom nadrukkelijk naar voren als vakgebied dat verdere professionalisering en structurele financiering verdient. Van onderzoekers kan niet worden verwacht dat zij naast wetenschapper ook direct ondernemer, octrooideskundige en marktstrateeg zijn. Gespecialiseerde teams moeten kansrijke kennis vroeg herkennen, intellectueel eigendom goed organiseren en helpen bij het bouwen van ondernemingen met voldoende schaal en ambitie.

Ook na de startfase dreigt veel waarde verloren te gaan. Voor jonge life-sciencesbedrijven is in Europa relatief weinig kapitaal beschikbaar om door te groeien. Amerikaanse investeerders financieren een groot deel van de latere ontwikkelingsfase, waarna bedrijven, talent en economische opbrengsten vaak naar de Verenigde Staten verdwijnen. Daarmee staat niet alleen het Nederlandse verdienvermogen onder druk, maar uiteindelijk ook de toegang van Europese patiënten tot nieuwe behandelingen. De internationale concurrentie maakt snelheid noodzakelijk; tijdens de coronapandemie bleek dat procedures onder druk wél veel sneller kunnen verlopen.

Versnippering en verkeerd verdeelde prikkels

De zorg is geen samenhangend systeem met één opdrachtgever, maar een netwerk van ziekenhuizen, zorgprofessionals, verzekeraars, onderzoekers, bedrijven, toezichthouders en overheden. Iedere partij handelt begrijpelijkerwijs vanuit haar eigen opdracht en begroting. Daardoor vallen kosten en baten van innovatie vaak op verschillende plaatsen. Een ziekenhuis kan bijvoorbeeld moeten investeren in thuismonitoring, terwijl de besparing door minder opnames vooral bij de verzekeraar terechtkomt en het ziekenhuis bovendien omzet verliest. Een maatschappelijk zinvolle innovatie heeft dan lokaal geen sluitende businesscase.

De meningen liepen uiteen over de rol van financiële prikkels. Volgens sommigen stimuleren productieprikkels onnodige zorg; anderen wezen erop dat ondernemerschap en financiële prikkels juist tot efficiëntie, betere organisatie en tevreden patiënten kunnen leiden. Over één punt bestond meer overeenstemming: beoordeel een innovatie niet uitsluitend vanuit één instellingsbegroting, maar op haar totale maatschappelijke opbrengst. Gezonde levensjaren, kwaliteit van leven, arbeidsparticipatie en vermeden zorg moeten meewegen. Meerjarige afspraken, regionale budgetten of gedeelde besparingen kunnen ervoor zorgen dat de partij die investeert ook in de opbrengst deelt.

Van pilotitis naar opschaling

Nederland is goed in kleinschalig experimenteren, maar veel minder goed in opschalen. Talrijke pilots bewijzen opnieuw wat elders al is aangetoond. De neiging om een innovatie eerst in de eigen instelling te willen testen – het ‘not invented here’-effect – kost tijd, geld en menskracht. Een pilot zou daarom alleen moeten starten als vooraf duidelijk is welk probleem wordt opgelost, wie eigenaar is, hoe kosten en baten worden verdeeld en wie succesvolle toepassing financiert. Bij bewezen effect moet herhaling plaatsmaken voor invoering.

Opschaling vraagt daarnaast om meer standaardisatie en concentratie. Gelijke contractvoorwaarden voor klinisch onderzoek en voor spin-offs kunnen de doorlooptijd sterk verkorten. Als positief voorbeeld werd de vorming van één nationaal loket voor klinisch onderzoek genoemd, waaraan UMC’s en andere ziekenhuizen deelnemen. Ook concentratie van complexe zorg kan implementatie vergemakkelijken: grotere patiëntvolumes leveren meer gegevens, uniforme werkwijzen en voldoende uitvoeringskracht op.

Wet- en regelgeving moeten veiligheid en kwaliteit bewaken, maar de stapeling van regels, toezicht en administratieve controles kan vernieuwing verstikken. Europese regels worden in Nederland bovendien geregeld strenger uitgelegd dan in omringende landen. Genoemd werden regelarme proeftuinen of ‘sandboxes’, waarin bedrijven en zorgorganisaties nieuwe toepassingen – bijvoorbeeld met AI en gezondheidsdata – onder gecontroleerde voorwaarden sneller kunnen beproeven. Zo’n ruimte werkt alleen als succesvolle oplossingen daarna ook landelijk kunnen worden ingevoerd.

Regie zonder innovatie dood te sturen

Er klonk een brede roep om meer richting en politieke continuïteit. Een nationale strategie kan gezamenlijke doelen stellen, standaarden afdwingen en voorkomen dat regio’s en instellingen elkaar beconcurreren waar samenwerking nodig is. De overheid is daarvoor onmisbaar, maar kan de transitie niet alleen tot stand brengen. Centrale regie moet worden gecombineerd met ruimte voor professionals en ondernemers om oplossingen te ontwikkelen en snel te beoordelen. De regisseur kan in beginsel verschillen per vraagstuk, zolang andere partijen diens mandaat erkennen.

Een gezamenlijke digitale infrastructuur is een urgente randvoorwaarde. Dat patiëntgegevens nog altijd niet soepel en veilig tussen huisarts, ziekenhuis en andere zorgverleners kunnen worden uitgewisseld, belemmert zowel de dagelijkse zorg als onderzoek en AI-toepassingen. Op dit terrein is landelijke standaardisering effectiever dan tientallen lokale oplossingen.

Buitenlandse modellen bieden inspiratie, maar kunnen niet één op één worden gekopieerd. In Singapore dragen regionale clusters verantwoordelijkheid voor de gezondheid van een hele populatie en omvatten zij de volledige keten, van preventie en sociale ondersteuning tot ziekenhuiszorg. Vergelijkbare modellen van populatiebekostiging belonen partijen wanneer zij gezamenlijk zorg voorkomen. Tegelijk werd benadrukt dat Nederland sterke fundamenten heeft, zoals een toegankelijke huisartsenzorg. De opgave is niet om het stelsel volledig te vervangen, maar om versnippering te verminderen en verantwoordelijkheden beter te verbinden.

Van zorg naar gezondheid

Gaandeweg verbreedde het debat zich van medische innovatie naar gezondheid. Een groot deel van wat als zorgvraag binnenkomt, vindt zijn oorsprong in leefstijl, bestaanszekerheid, wonen, eenzaamheid of andere sociale omstandigheden. Preventie kan de druk op de zorg verminderen, maar past slecht in een systeem dat vooral behandelingen vergoedt. De verantwoordelijkheid ligt daarom niet alleen bij het ministerie van VWS: ook sociale zaken, onderwijs, ruimtelijke ordening, werkgevers en gemeenten spelen een rol.

Over een grotere eigen bijdrage aan preventie bestond discussie. Zelf betalen kan nieuwe markten creëren en innovatie versnellen, maar dreigt gezondheidsverschillen te vergroten, terwijl juist bij mensen met minder middelen veel gezondheidswinst te behalen is. Publieke voorlichting en collectieve preventie blijven daarom essentieel. Het uitgangspunt zou moeten verschuiven van het financieren van afzonderlijke zorgverrichtingen naar investeren in de gezondheid en kwaliteit van leven van de bevolking.

Een gezamenlijke missie

De slotsom was zowel urgent als hoopvol. Nederland beschikt over hoogwaardige wetenschap, innovatieve bedrijven, deskundige zorgprofessionals en een in de kern sterk zorgstelsel. Wat ontbreekt, is niet nóg een inventarisatie van knelpunten, maar gezamenlijke uitvoeringskracht. Duurzame financiering van technologietransfer, voldoende groeikapitaal, landelijke standaarden voor data en contracten, minder onnodige regels, passende bekostiging en een breed gedragen nationale missie kunnen de stap van uitvinden naar toepassen verkleinen.

Tot besluit klonk de oproep om die urgentie aan iedere relevante tafel te blijven verwoorden: verandering ontstaat mede doordat steeds meer mensen hetzelfde probleem benoemen en verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen deel van de oplossing. Linda Hovius sloot de bijeenkomst af. De transitie is een veelkoppig vraagstuk, maar de bereidheid om wetenschap, zorg en samenleving te verbinden geeft reden voor vertrouwen.

Foto’s: Marlise Steeman

Gerelateerd nieuws